Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Partijen zijn ontslag op andere gronden artikel 99, eerste lid, ARAR en uitkeringsregeling overeengekomen. Dat eiser achteraf liever geen ontslag of een andere uitkeringsregeling voor ogen had, maakt niet dat ontslag geen stand kan houden.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/9823

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 februari 2015 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. S. van Loenhout),

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Dijk).

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van 1 juli 2013 volledig en eervol ontslag verleend op grond van artikel 99, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Daarbij is aan eiser op grond van artikel 99, tweede lid, van het ARAR een uitkering toegekend gelijk aan het voor hem geldende totaal van uitkeringen, berekend op basis van de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk.

Bij besluit van 24 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren aanwezig [persoon A], werkzaam als juridisch adviseur bij verweerder, en [persoon B], werkzaam als senior P&O-adviseur bij het [bedrijf].

Overwegingen

1. Eiser is sinds 1 april 1997 in dienst bij verweerder, laatstelijk in de functie van personeelsadviseur ten behoeve van het [bedrijf]. Bij brief van 1 februari 2010 heeft verweerder, onder verwijzing naar het OCW-convenant van 15 oktober 2007 (hierna: het Convenant), het voornemen geuit eiser aan te wijzen als van-werk-naar-werk kandidaat (VWNW-kandidaat). Aanleiding daartoe is een gewijzigde taakstelling van OCW waarbij onder meer de werkplek van eiser komt te vervallen. Hiertegen heeft eiser geen bedenkingen ingebracht, waarna hij per 22 maart 2010 is aangewezen als VWNW-kandidaat.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het ontslagbesluit van 18 april 2013 onder verwijzing naar het advies van de Commissie bezwaarschriftprocedure personeel OCW (hierna: de Commissie) van 17 oktober 2013 in stand gelaten. Daaraan is ten grondslag gelegd dat eiser heeft ingestemd met ontslag op grond van artikel 99, eerste lid, van het ARAR . Eiser wist daarbij dat hij aanspraak zou maken op een (minimale) WW-uitkering en een bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid voor de sector Rijk nu van verwijtbare werkloosheid geen sprake is. Het Convenant biedt volgens verweerder geen ruimte voor een langere periode van aanspraak op een WW-uitkering en een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering nu eiser niet de status van herplaatsingskandidaat heeft. Ook de in het Convenant opgenomen hardheidsclausule biedt geen oplossing nu deze niet van toepassing is op individuele gevallen. Gelet op het in onderling overleg tot stand gekomen ontslag heeft verweerder terecht toepassing gegeven aan artikel 99, eerste lid, van het ARAR .

3. Eiser voert in beroep aan dat verweerder hem ten onrechte op grond van artikel 99, eerste lid, van het ARAR heeft ontslagen, nu deze ontslaggrond is voorbehouden aan die gevallen waarin sprake is van verstoorde verhoudingen/onverenigbaarheid van karakters (incompatibilité d’humeurs). In onderhavig geval is daarvan volgens eiser geen sprake. Eiser stelt zich niet aan de indruk te kunnen onttrekken dat verweerder, omdat een reorganisatieontslag niet tot de mogelijkheden behoorde, zijn toevlucht heeft gezocht tot de ontslaggrond van artikel 99, eerste lid, van het ARAR . Eiser stelt voorts dat, nu hij de status VWNW- kandidaat had verkregen, hij in het geheel niet kan worden geconfronteerd met een ontslag in welke vorm dan ook. Eiser ziet geen enkele reden waarom van verweerder niet zou kunnen worden verlangd dat het dienstverband met eiser wordt voortgezet.

4. Verweerder heeft – kort gezegd – in beroep bevestigd dat geen sprake is van verstoorde verhoudingen. Volgens verweerder mag ontslag op grond van artikel 99, eerste lid, van het ARAR echter ook worden verleend indien partijen dit overeenkomen.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

6. Artikel 99, eerste lid, van het ARAR bepaalt dat aan de ambtenaar in vaste dienst ook op andere gronden dan die in artikel 98 zijn geregeld of waarnaar in dat artikel wordt verwezen, ontslag kan worden gegeven. Dat ontslag wordt eervol verleend. Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, wordt in geval van ontslag ingevolge het eerste lid door het tot ontslagverlening bevoegde gezag een voorziening getroffen waarbij de ambtenaar een uitkering verleend wordt, die, naar het oordeel van dat bevoegde gezag, met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Deze uitkering zal ten minste gelijk zijn aan het voor de ambtenaar geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de Werkloosheidswet .

7. Uit de Nota van Toelichting bij artikel 99 van het ARAR blijkt dat deze bepaling gebruikt kan worden als sprake is van factoren en omstandigheden die in overwegende mate betrekking hebben op de persoon van de ambtenaar en zijn directe werkomgeving. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) (zie onder meer de uitspraken van 7 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK0290, en van 5 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1937) kan aan de ontslaggrond van artikel 99, eerste lid, van het ARAR ook toepassing worden gegeven als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verwacht.

8. Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van verstoorde verhoudingen of een impasse. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat het ontslagbesluit in stand kan blijven. Daartoe is het volgende redengevend.

9. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij eind 2012/begin 2013 met verweerder heeft gesproken over verschillende opties op loopbaangebied. Er waren twee opties, waarbij uitgangspunt was dat eiser ontslag op eigen verzoek zou nemen. Bij de ene optie zou eiser aansluitend in tijdelijke dienst treden van een mobiliteitsbureau voor de duur van vier jaar waarbij hij de mogelijkheid zou hebben een reeds aangevangen HBO-studie af te ronden; bij de andere optie zou sprake zijn van een detachering van maximaal twee jaar. Eiser is uiteindelijk met beide opties niet akkoord gegaan vanwege het verlies aan opgebouwde bovenwettelijke uitkeringsjaren. Eén en ander is door verweerder bevestigd.

10. Voorts heeft eiser ter zitting toegelicht dat in dezelfde periode een politieke discussie gaande was over het terugbrengen van de uitkeringsduur van de WW-uitkering naar één jaar. Dit zou ook gevolgen hebben voor de bovenwettelijke uitkeringsduur. Gelet op deze discussie en de omstandigheid dat uitgangspunt was dat aan eiser hoe dan ook ontslag zou worden verleend, is eiser, zo hij ter zitting heeft bevestigd, in april 2013 in een gesprek met [persoon A] en [persoon C] akkoord gegaan met ontslag. Eiser heeft daarbij eveneens bevestigd dat, zoals verweerder heeft gesteld, tijdens dat gesprek ook de ontslaggrond van artikel 99, eerste lid, van het ARAR is besproken.

11. Eiser heeft voorts ter zitting betoogd dat hij onder protest akkoord is gegaan met het ontslag, omdat hij het niet eens was met de daaraan gekoppelde uitkeringsregeling. Aan dit betoog gaat de rechtbank vanwege het navolgende voorbij.

12. Verweerder heeft gesteld dat tijdens het gesprek met eiser duidelijk is aangegeven dat de uitkeringsregeling die bij het ontslag op grond van artikel 99, eerste lid, zou worden aangehouden, conform de huidige regelgeving zou zijn. Eiser heeft ter zitting bevestigd dat het hem ten tijde van het voornoemde gesprek duidelijk was dat hij bij ontslag op grond van artikel 99, eerste lid, aanspraak zou maken op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering voor de duur van driemaal de WW-uitkeringsduur, in eisers geval tot zijn 63ste jaar, op grond van het per 1 januari 2012 gewijzigde Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid sector Rijk (het Besluit) en dat het overgangsrecht bij dat Besluit – op grond waarvan aanspraak bestaat op verlenging van de bovenwettelijke uitkeringsduur tot 65 jaar – niet op eiser van toepassing was omdat hij niet de status van herplaatsingskandidaat had. De rechtbank merkt op dat dit ook blijkt uit een eerdere e-mailwisseling tussen eiser en [persoon A].

13. Dat eiser tijdens het eerdergenoemde gesprek zou hebben gezegd het niet eens te zijn met de uitkeringsregeling en tegen het ontslagbesluit in bezwaar te gaan, hetgeen door verweerder is betwist, acht de rechtbank reeds onvoldoende aannemelijk gelet op de volgende omstandigheid. Namens verweerder is ter zitting gesteld dat kort na het gesprek aan eiser het aanbod is gedaan om hem de concepttekst van het ontslagbesluit toe te sturen, maar dat eiser dezelfde dag belde met de mededeling dat dat niet hoefde en dat men hem meteen maar het definitieve ontslagbesluit moest toesturen. Deze door eiser niet betwiste mededeling, waaraan de rechtbank gelet op het korte tijdstip na het eerdergenoemde gesprek grote waarde hecht, strookt niet met de eerdergenoemde verklaring van eiser.

14. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat eiser, die als personeelsadviseur verondersteld wordt meer dan gemiddelde kennis te hebben van het ambtenaren- en sociale verzekeringsrecht, en verweerder destijds ontslag op grond van artikel 99, eerste lid, van het ARAR en de daarbij behorende uitkeringsregeling zijn overeengekomen. De rechtbank ziet voor de situatie dat ontslag op voornoemde grond door een VWNW-kandidaat en zijn/haar werkgever kan worden overeengekomen aanknopingspunten in de Nota van Toelichting bij artikel 49dd van het ARAR , welk artikel ziet op de situatie van de VWNW- kandidaat na afloop van de derde periode van VWNW- begeleiding. Voorts staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat eiser is behandeld overeenkomstig het Convenant en dat met het ontslag op grond van artikel 99, eerste lid niet een verkapt reorganisatieontslag is beoogd. Dat eiser achteraf toch liever terug wil naar verweerder of een andere uitkeringsregeling voor ogen heeft, maakt niet dat het destijds overeengekomen ontslag geen stand kan houden.

14. Het beroep is ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, voorzitter, en mr. G.P. Kleijn en mr. A.E. Dutrieux, leden, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2015.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature